Selecteer een pagina

Beroep bouwvergunning ongegrond

De voorzieningenrechter heeft beslist op het verzoek om een voorlopige voorziening en daarbij onmiddelijk uitspraak gedaan in de hoofdzaak. Het bezwaar tegen de verleende omgevingsvergunning voor de nieuwbouw van 9 woningen op de locatie Patrijslaan 25-27 is ongegrond verklaard.

Op grond van artikel 8:86 Wcb is niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

Ten aanzien van de omwonenden wiens bezwaren door verweerder niet-ontvankelijk zijn verklaard, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Uit de inhoud van het bezwaarschrift is niet af te leiden dat de bezwaarmaker mede namens andere personen bezwaar heeft gemaakt. Pas op de hoorzitting, dus nadat de bezwaartermijn reeds geïndigd was, heeft de bezwaarmaker machtingen overlegd om te onderbouwen dat hij ook namens andere omwonenden bezwaar heeft gemaakt. De voorzieningenrechter overweegt dat voor afloop van de termijn voor het instellen van bezwaar kenbaar moet zijn namens wie het bezwaar is ingesteld. Verweerder heeft van de andere omwonenden dan de bezwaarmaker daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Hun beroep is daarom ongegrond.

Ten aanzien van het beroep namens de bezwaarmaker overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan CPO Houtduiflaan Beuningen. Na de uitspraak van de Afdelin bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 september 2018 heeft het bestemmingsplan formele rechtskracht. Met betrekking tot de omgevingsvergunning geldt een zogeheten limitatief-imperatief stelsel. Dit houdt in dat een omgevingsvergunning moet worden geweigerd, indien sprake is van één of meer weigergronden. Gezien geen van de weigergronden van toepassing is, is de verweerder gehoudende gevraagde omgevingsvergunning te verlenen.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het bouwplan past in het bestemmingsplan en voldoet aan de eisen van het Bouwbesluit en de Bouwverordening. Omdat het gebied als welstandsvrij is aangemerkt, is bovendien geen advies van de welstandscommissie vereist. Dit betekent dat verweerder gehouden was de gevraagde omgevingdvergunning te verlenen. Dat het bouwplan zonder overleg met de huidige bewoners is opgesteld doet hier net aan af. De door bezwaarmaker geschetste parkeerproblemen zijn een uitvloeisel van het – inmiddels in rechte vaststaande – bestemmingsplan en kunnen in het kader van de verleende omgevingsvergunning geen rol spelen. Dit geldt ook voor het gestelde verlis van groen in de wijk en dat de bebouwing dichtbij wordt gerealiseerd. Het door verzoeker gestelde belastingvoordeel voor de nieuwe eigenaren – wat daar overigens ook van zij – en de (politieke) keuze omtrent planschadevergoeding kunnen bij de beoordeling van een gebonden beschikking eveneens geen rol spelen.

Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond verklaard. Voor het treffen van een voorlopige voorziening is geen aanleiding. 

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.H.Y. Snoeren-Bos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 september 2018.